Woonplaatsbeginsel

24 oktober 2017

Vanaf 2015 zijn de taken zorg, participatie en jeugdhulp binnen het Sociaal Domein van het Rijk gedecentraliseerd naar de gemeenten.

Deze transitie is erg complex en op verschillende onderdelen blijkt dat de daarbij gemaakte afspraken niet helemaal goed te werken in de praktijk. In de Jeugdwet staat bijvoorbeeld dat de kosten voor jeugdhulp worden gedragen door de gemeente waarin het gezag van de jeugdige woont, ofwel het woonplaatsbeginsel. Maar het bepalen van de woonplaats is niet altijd eenvoudig. Hieronder geef ik hiervan één voorbeeld, maar er zijn vele andere voorbeelden denkbaar waarbij het lastig is om het woonplaatsbeginsel toe te passen.

Als het gezag ligt bij beide ouders van het kind en dat kind komt terecht bij een pleeggezin, moet er bepaald worden waar de ouders wonen. Dat is geen probleem als beide ouders in dezelfde gemeente wonen. Maar als de ouders eerst samenwoonden en beide naar een ander gemeente verhuizen wanneer het kind bij het pleeggezin terecht komt, kan de bepaling van de woonplaats niet worden gedaan op basis van de wet. Dit kan dan alleen praktisch worden opgelost als de gemeenten waar de ouders individueel naar zijn verhuisd hier samen een afspraak over maken.

Verder bestaat ook de vraag of het wenselijk is dat de woonplaats van het gezag bepaalt welke gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdhulp. Wanneer een jeugdige al in de jeugdhulp zit en de hulpverlener kent het dossier al goed, lijkt het me niet handig dat de jeugdige tijdens een behandeling overgaat naar een andere hulpverlener omdat het gezag verhuist. Dat kan echter wel gebeuren als het gezag verhuist naar een verre gemeente, welke waarschijnlijk geen contract heeft afgesloten met de huidige hulpverlener. Vaak wordt in de praktijk wel opgelost, maar dat is geen zekerheid.

De wetgever heeft vanwege de vele gevallen waar onduidelijkheden bestaan omtrent het woonplaatsbeginsel, besloten om het woonplaatsbeginsel te vereenvoudigen. De wetswijziging zal waarschijnlijk vanaf 2019 ingaan. Het gezag wordt dan niet meer bepalend voor het woonplaatsbeginsel, maar de jeugdige zelf. De gemeente waar de jeugdige in de Basisregistratie Personen (BRP) is ingeschreven wordt verantwoordelijk. Het meest lastige van het huidige woonplaatsbeginsel (het bepalen van waar het gezag is gevestigd) komt hiermee te vervallen.

Hierop zal waarschijnlijk één uitzondering plaatsvinden: als de jeugdigen in een instelling met verblijf of pleegzorg zit, wordt de gemeente verantwoordelijk waar de jeugdige volgens de BRP als laatste heeft gewoond. De uitzondering heeft als reden dat, indien de jeugdige vanuit een gemeente wordt verwezen naar een instelling of pleegzorg die is gevestigd in een andere gemeente, het niet eerlijk zou zijn om die gemeente met alle kosten op te zadelen. Naast dat de verwijzing kan voortkomen uit een negatieve financiële prikkel, hebben veel gemeenten zelf geen instellingen en moeten ze wel verwijzen naar een instelling in een andere gemeente. Verder zijn er veel specialistische instellingen geclusterd binnen een regio, waardoor die gemeenten extra zwaar financieel belast - kunnen - worden.

Vooralsnog lijkt de beoogde wijziging van het woonplaatsbeginsel de meeste knelpunten van de huidige situatie op te lossen. Het brengt ook weer nieuwe vraagstukken met zich mee, zoals wanneer ouders gescheiden zijn en in verschillende gemeenten wonen en zij meerdere kinderen hebben die in de jeugdhulp zitten. De kinderen kunnen dan ieder bij één van de ouders inschreven staan, terwijl ze in de praktijk hun verblijfplaats veel afwisselen. Voor een integraal hulpplan voor het hele gezin zullen de betreffende gemeenten dan toch praktische afspraken moeten maken. Maar in het Sociaal Domein zullen altijd complexe gevallen bestaan. Helaas kan niet met alles rekening worden gehouden. Of de wetswijziging echt in de praktijk grote bezwaren met zich meebrengt, zal pas blijken in de toekomst. Voor nu is het feit dat de wetgever de bestaande knelpunten gaat aanpakken een stap dat wordt toegejuicht.

Delen